Johnny Marr (The Smiths, The Cribs,…) – Guitar Antihero

Connect with Artist

http://www.johnny-marr.com

Johnny Marr, een van de beste gitaristen en componisten uit de begindagen van de alternatieve rock, heeft door zijn virtuoze maar subtiele aanpak een onuitwisbare stempel gedrukt op een hele generatie moderne bands. Na zijn vruchtbare werk met The Smiths in de jaren ‘80, doorliep hij een reeks succesvolle samenwerkingen met o.m. The The, Electronic, The Pretenders, Modest Mouse en The Cribs, om er maar enkele te noemen. In 2000 trad Johnny ook aan als frontman van zijn eigen band, The Healers, en momenteel zit hij met de groep in de studio voor de opnames van een nieuw solo album.

We zagen Johnny onlangs voor Editie 39 van de BOSS Tone Radio Podcast. Hij vertelde over zijn lange, productieve carrière, over zijn Roland JC-120 versterker in zijn begindagen bij The Smiths, en hoe hij tegenwoordig de GT-100 Amp Effects Processor gebruikt om op het podium zijn geraffineerd studiogeluid te reproduceren.

Het volgende is een fragment uit de podcast. Het volledige interview vind je op: www.bossus.com/experience/podcasts.

johnny_guitar

Je was pas 18 jaar toen je The Smiths oprichtte. Speelde je voordien ook al in bands, toen je nog op school zat?

Ja, absoluut. Ik speelde in bandjes vanaf mijn 14e. Toen speelde ik op locaties en kleine shows. Toen ik 15 werd, speelde ik in enkele bandjes met oudere jongens, zeer tegen de zin van mijn ouders. En achteraf bekeken neem ik het hen niet kwalijk. Sommige van die kerels waar ik mee samenspeelde, waren niet bepaald het meest wenselijke gezelschap, laat ons zeggen. Maar dat maakte allemaal deel uit van het leerproces.

Kort daarna stopte ik met de school, omdat een band waar ik in speelde, naar Londen ging om bij Nick Lowe demo’s op te nemen voor de manager van Elvis Costello. Op school zei ik: “Hey, Ik ga de roem opzoeken” en ze wilden me niet laten gaan. Dus ik besloot om er gewoon van door te gaan. Laat ons zeggen dat het een wederzijdse regeling was, en ze hebben mijn vertrek aanvaard. Maar dat was OK. Eigenlijk ben ik gewoon van school gegaan om in bands te spelen.

 

Je vroege sound wordt vereenzelvigd met Rickenbacker-gitaren, maar je gebruikte ook Telecasters en akoestische gitaren. Hoe koos je toen die instrumenten?

Wel, de keuze om een Rickenbacker na te spelen met een Telecaster werd me eigenlijk aangeraden door onze producer, John Porter. Ik had veel geluk dat John de vroege platen van The Smiths producete, en hij wist heel veel over gitaartechnieken en -klanken. En ik was net een spons. Ik absorbeerde alles wat die man me kon leren.

Ik werkte al met lagen op mijn demo’s, op een kleine viersporenrecorder. Maar dingen als klanken, de keuze van pickups en verschillende soorten gitaren, dat was allemaal nieuw voor mij. In de sound van “This Charming Man” zit bijna net zoveel Telecaster als Rickenbacker, en daardoor kwam de Rickenbacker nog beter uit de verf.

Ik leerde veel van dat soort technieken, en die dingen blijven uiteraard hangen, essentiële zaken die ik tot vandaag nog met me meedraag. Bijvoorbeeld, als ik een leadpartij, een riff of iets anders ga inspelen, dan kies ik de passende gitaar en meestal heb ik het bij het rechte eind. Gewoonlijk hoef ik niet al te veel verschillende gitaren uit te proberen om de juiste klank te vinden, want na al die jaren kan ik wel voorspellen wat een gitaar zal doen in gelijk welke pickupconfiguratie.

johnny_guitar2

 

In 1987, na een aantal sucesvolle platen met The Smiths, ging je samenwerken met artiesten zoals Paul McCartney, Bernard Sumner en The Pretenders, om er maar een paar te noemen. Hoe heeft dat je gitaarspel beïnvloed?

Ik heb een korte periode bij The Pretenders gespeeld. Zij hadden een vervanger nodig om enkele concerten te spelen in het voorprogramma van U2 op The Joshua Tree tour. Ze hadden met die tour al een paar keer de wereld rond geweest, maar toen gaf Robbie McIntosh er de brui aan en hadden ze iemand nodig die erg snel kon invallen. Ik kende veel nummers van het eerste album omdat ik ze thuis in mijn slaapkamer speelde en de rest van de set moest ik in een dag of vier zien te leren. En dan het podium op, voorprogramma spelen voor U2 in plaatsen als San Francisco en Los Angeles. Dat was best wel een beangstigend vooruitzicht, maar tegelijk een geweldige ervaring.

Maar als ik denk aan de periode onmiddellijk na The Smiths en mijn tocht als gitarist, dan begint het eigenlijk allemaal met The The, de band waar ik samen met Matt Johnson in speelde—dat was toen mijn favoriete band. Ik heb eigenlijk mijn hele carrière lang het geluk gehad om in bestaande bands te kunnen instappen. Ik ging gewoon bij mijn favoriete band van het moment spelen, of dat nu Modest Mouse of The Cribs was, weet je wel.

I was echt fan van The The, en ik had veel respect voor Matt. Wat het gitaarwerk betrof, moest ik sommige van zijn oudere songs gaan reproduceren. Hij had echt willekeurige gitaren bovengehaald en allerlei dingen gespeeld door wah-wahs en filters, en daarna vergeten hoe hij het had gedaan. Dat soort dingen moest ik reproduceren, plus de geflipte klavierpartijen voor dat alles. Het was een ware uitdaging, waarik als gitarist een enorme vooruitgang mee boekte. Ik leerde spelen met veel meer texturen en achtergrondgeluidjes, een meer esoterische gitaarstijl.

Dingen reproduceren die op klavier werden gespeeld, is best een interessante oefening. Ik heb dat onlangs opnieuw gedaan toen ik aan de soundtrack van Inception werkte met Hans Zimmer, waar ik heel veel dingen kon spelen die bedoeld waren als gitaar maar op klavier werden gespeeld. En door bij Electronic te spelen, kreeg ik veel meer ervaring op het vlak van “geluid”. Ik leerde zoveel bij over technologie, en over arrangementen en beats.

Ik heb heelwat bijgeleerd. Ik wil niet te technisch klinken, maar ik heb geleerd om tegen de maat te spelen, of na de tel. Door met Karl Bartos van Kraftwerk samen te spelen, heb ik veel over orchestratie geleerd. Ik doe dit al lang and ik denk dat er gelukkig geen enkele ervaring voor niets is geweest en dat alles heeft bijgedragen om mij te brengen waar ik vandaag sta.

 

Je deed ‘We Were Dead Before the Ship Even Sank’ met Modest Mouse. Ik geloof dat dat zowel voor jou als voor de band het eerste nr 1-album in de VS was. Is dat correct?

Ja. Daar ben ik bijzonder trots op, want een album op nr 1 krijgen in Amerika, is voor een jochie uit Engeland een verbazende prestatie. Het is voor eender wie een verbazende prestatie, maar in het bijzonder met die muziek. Ik had niet het gevoel dat Modest Mouse het soort van band was die de Amerikaanse hitlijsten zou aanvoeren. Het deed veel voor mijn idealisme—het was meer dan een egotrip. Het gaf me veel vertrouwen in de Amerikaanse kopers van alternatieve platen dat ze zo’n band op nummer één hadden gebracht. De successen van The Smiths lagen al een tijdje achter ons, en om dan zowat het grootste succes uit mijn carrière te hebben, was een onverwachte maar aangename wending.

johnny_front2

 

Je vernoemde de film ‘Inception’ van Christopher Nolan uit 2010. Hoe ga je als componist van een soundtrack om met gitaren? Verschilt dat proces van je andere muzikale werk?

Oh ja, dat is een totaal andere discipline. Ik vind het leuk omdat het allemaal rond de emotie va de scène draait. Dat doe ik echt graag. Het kan gelijk welke emotie zijn voor gelijk welke scène—het kan dramatisch zijn, of speels, nonchalant, gespannen, gestresseerd. Het hoeft niet per sé aangrijpend, emotioneel of sentimenteel te zijn.

Ik zit daar niet gewoon met een gitaar te proberen om iets passend te spelen; ik bekijk de scène en ik probeer om de vibe goed te vatten. Soms ligt het voor de hand. Als er iemand wordt achternagezeten door een bende gewapende kerels, dan heb je zo’n manische spanning nodig. Wat het ook is, ik neem het op in mijn gedachten, ik pak mijn gitaar en ik probeer het te doen.

Ik werk graag in een emotioneel kader. Ik denk dat het goed is voor kunst in het algemeen om binnen een bepaald kader te werken. Het is goed voor de creativiteit als er een duidelijke richting is. Als je geen beperkingen hebt en je kunt eender welke kleur of schakering kiezen, dan is het net moeilijker. Soms denken de mensen dat een gitarist die aan een soundtrack werkt, een beetje abstract is. Misschien door wat Neil Young op Dead Man gedaan heeft, wat trouwens perfect werkte. Maar je kunt niet gewoon een fuzz-pedaal inpluggen, er een hoop delay op gooien en dan hopen dat het werkt omdat het esoterisch is—je moet wel iets specifieker zijn dan dat. Ik heb geluk, want ik ben in de leer geweest bij de beste in de hele filmindustrie—hij is de grootste componist die er is—en dat is Hans Zimmer. Het is geweldig dat ik nog steeds kan bijleren en kansen krijg om te werken met mensen die zo goed zijn.

 

In de loop van je carrière heb je veel versterkers van Fender en andere merken gebruikt, waaronder ook de Roland JC-120 Jazz Chorus. Vertel daar eens iets over.

Het interessante is dat de mensen vergeten dat vele muzikanten, vooral jonge muzikanten, mee willen zijn met hun tijd. Je wil niet ouderwets zijn. Toen ik begon, begreep ik de aantrekking van oude gitaren; Ik was al fan van oude gitaren. In die tijd werden ze nog geen ‘vintage’ gitaren genoemd—het waren gewoon oude gitaren waar niemend echt om gaf, behalve oude mannen. In het VK waren we maar met enkelen die op oude, versleten Gibsons en jaren ’50-gitaren speelden.

Ik kom uit een tijd toen er veel dingen ‘not done’ waren is de gitaarcultuur. Het werd onder de noemer ‘post-punk’ geplaatst, maar het was eigenlijk de geboorte van wat we nu kennen als ‘indie rock’. En er leefde ook de tendens om alles uit de vorige generaties van de rockcultuur overboord te gooien, zoals zware distortion, bluesy speelstijlen, uitgebreide solo’s, snelle solo’s, en effecten. Al die zaken werden bestempeld als passé en voorbijgestreefd in de cultuur waar ik uit kwam.

Ik probeerde nog steeds die liefde [voor de gitaargeschiedenis] te behouden en de gitaarcultuur naar voren te brengen—niet om hem compleet te vernietigen en anarchistisch te zijn, maar om eigentijds te zijn. Daar komt mijn sound grotendeels vandaan. Weinig distortion, zeker geen uitgebreide solo’s, weinig effecten, en alles behalve bluesy.

Ik had het er over met Peter Buck [van R.E.M.], omdat we allebei op een Rickenbacker speelden. Het was niet zozeer omdat ik graag The Byrds of zelfs Brian Jones hoorde—het was omdat die gitaar me op een bepaalde manier deed spelen. Ik had niet zoveel sustain, dus ik moest en manier vinden om het geluid vullend te maken, en vaak gebeurde dat door veel arpeggio’s te spelen. Ik ben ook een melodiefreak. Dus ik vulde veel ruimte op, op zoek naar melodieën en door heel druk te spelen.

En de Roland JC-120 was een gloednieuwe innovatie [in die tijd]. Een Roland-versterker gebruiken, was ongewoon en spannend, en veel mensen deden het. Zodra ik het kon betalen, kocht ik er een. Ik had een Fender Twin, maar het volgende dat ik kocht, was een JC-120, en die twee versterkers klonken samen best geweldig. Dat was een groot deel van mijn sound, weet je, dat cleane, chorus-achtige geluid. Het is niet echt een verrassing dat je materiaal bepaalt hoe je speelt, dus ik had geluk. Het interessante is dat ik nu—vele, vele jaren later—nog steeds vragen krijg over de JC-120. Ze houden van die sound. Ik heb al aardig wat mensen gezien die helemaal wild zijn van de JC-120.

johnny_guitar3

 

Je hebt een BOSS GT-100 Amp Effects Processor. Hoe gebruik je die?

Toen ik bij The The speelde, moest ik, zoals ik al zei, veel texturen en verschillende klanken namaken van song tot song, en binnen songs, live. Dus had ik een grote rack, en daar kon ik erg in opgaan. Niet elke gitarist heeft dat graag, maar toen was het geweldig. Ik besefte toen dat ik kon producen met mijn voeten—zo bekeek ik het. Het idee om over te gaan van het ene deel van de song naar het andere met een compleet verschillende sound—zelfs door gewoon maar de reverb en de delay aan te passen—bracht mijn verbeelding echt op volle toeren.

Na een aantal jaren wou ik het wat kleinschaliger hebben en niet telkens die grote rack meezeulen, want ik ben niet zo’n fan van racks, maar wel van wat je ermee kunt doen. Multi-effectprocessors stonden eind jaren ’80 nog in hun kinderschoenen en waren klankgewijs niet zo geweldig. Je kon er leuke dingen mee doen, maar dat was echt ten koste van een goeie klank. Maar dat geeft niet—het is nog vroeg.

Ik ben die multi-processors blijven volgen en ik probeerde ze uit naarmate ze met de jaren beter werden. Toen de GT-5 uitkwam, trok ik op met The Healers en die was heel handig voor mij, vooral omdat ik zoveel verschillende klanken moest reproduceren. Mijn publiek verwacht dat ik klink zoals op mijn platen en als zanger wil ik niet om de zestien maten naar mijn voeten moeten kijken of telkens als ik naar een refrein of een strofe overga.

De GT-5 deed twee dingen voor mij: ik kon van klank veranderen en sommige dingen van op de plaat reproduceren door één enkele pedaal in te trappen. De GT-5 klonk nog niet helemaal zoals het zou moeten, maar ik geraakte er wel. I deed veel interessante dingen, bijvoorbeeld de ring modulation veranderen, of precieze delays instellen, enz., wat voor iemand als ik heel leuk was.

Ik was er heel intens mee bezig en toen hoorde ik over de GT-100 die zou uitkomen. Sommige gitaristen zijn verbaasd dat ik die live gebruik. Maar ik stuurde mijn analoge pedalboard door mijn studio setup, en dan programmeerde en kopieerde ik alles wat ik met mijn analoge pedalen deed naar de GT-100. En ik ben zeker dat niemand – ook ik niet – hem er zou uithalen in een blinde test, want ik ben verdomd goed geworden in het programmeren van die dingen.

Omdat ik zing, vind ik het absoluut cruciaal dat het publiek niet staat te kijken naar een gitarist die zingt. Ze moeten een zanger zien die geweldig gitaar speelt—er is een verschil. Als ik naar een optreden van mijn keuze ga kijken of als ik optreed met mijn band, dan moet de zanger (ik dus) het publiek vastgrijpen en de song zingen en ik moet gewoon doen wat van mij als gitarist wordt verwacht. Heel leuk.

De GT-100 heeft twee externe control pedal-functies. Die liggen voor mijn voeten, en ik ga gewoon op en neer door al die patches en gebruik een bepaald deel van mijn hersenen. Tijdens mijn repetities ben ik veel bezig met “twee omhoog met rechts”, “één omlaag met links”, “in het midden van die strofe daar twee omhoog” en “daar komt dan de solo”. Ik ga heel vaak op en neer met mijn twee voeten bij het microfoonstatief. Ik reproduceer, vrij getrouw, het geluid van mijn boutique- en funky oude pedalen.

Het is een fantastisch apparaat en zoals ik al zei, is het voor mij producen met je voeten. Het is net alsof ik in een studio zit. Als je het geduld hebt om die dingen echt te programmeren, kan je er veel plezier mee beleven en het kan je creativiteit een flinke boost geven. Ik vind het geweldig als het bij het vierde nummer van mijn set net als op de plaat klinkt, en dat wanneer ik bij de tweede strofe kom, het ook net als op de plaat klinkt. En dat kan allemaal zonder dat er drie roadies een rack moeten in- en uitladen. Ook als ik ergens als gastmuzikant meespeel, gooi ik hem gewoon op de achterbank van mijn auto en verschijn ik op de gig met de studio aan mijn voeten.

 

Dat is geweldig. Je zei dat de multi-effecten niet alleen heel praktisch zijn, maar ook heel mobiel?

Ja, dat bevalt me wel. Er zijn er ook veel duurdere, maar ik ben niet overtuigd dat die beter klinken. Als dat zo was, dan zou ik ze gebruiken. We leven in tijden waar muzikanten naast hun baggage veel spullen moeten kunnen meenemen. Wanneer wij door Europa reizen, dan doe ik dat zoveel mogelijk in guerrilla-stijl, dus ik gooi die spullen gewoon in pedal cases en die gaan in het baggageruim op het vliegtuig. Zo doe ik het graag. Dat is de moderne manier, vind ik. En zo hoort het ook.

 

Wat is je volgende project?

Wel, ik ga een soundtrack doen voor een film die volgend jaar uitkomt, en daarna aan de volgende plaat werken met mijn band. Het is een soloplaat, maar ik heb nu mijn band en ik heb dezelfde muzikanten. We zitten in een geweldige situatie: ik ben aan het schrijven en we zijn een band op tournee, dus daar wil ik van profiteren om de plaat te maken terwijl we aan het touren zijn. Ik wil me niet afzonderen en er te lang over nadenken. Ik wil die vibe van de liveshow meenemen in de studio. Dus, tussen het uitbrengen van mijn nieuwe plaat en het soundtrackwerk door heb ik genoeg om me mee bezig te houden. Misschien zal ik de mensen verrassen en doen wat ze verwachten, in plaats van wat ik gewoonlijk doe, namelijk opeens een andere richting uitgaan.

Oorspronkelijk geplaatst door Boss US

 

Artist’s Gear